Intro kampverhaal

In het midden van de 18de eeuw, overspoelde golven van geweld ons Vlaamse platteland. Horden van gewetenloos boevenpak trokken plunderend en brandstichtend door onze vredige dreven.

De adel, wiens rijkdom ten prooi lag aan deze dievenbendes, riepen de hulp in van de Franse soldaten om hen te verjagen. De Fransen hadden onder Lodewijk de Vijftiende de Oostenrijkers uit Vlaanderen verjaagt. Nu waren zij de baas en onderwierpen ze de boeren en de adel aan hoge belastingen en harde regels. De bevolking van Vlaanderen werd armer en armer. Vele wenden zich tot stelen om toch iets te eten te hebben. Vele sloten zich aan bij een nieuwe lichting slimme en heldhaftige dieven:

De bende van Jan de Lichte

We zijn in het jaar 1745. Het was nog maar begin januari, maar toch was het reeds een lange winter geweest. Vele boeren die sinds jaar en dag een vreedzaam en vroom leven leidden, zagen de laatste jaren hun oogsten mislukken. En wat wel groeide, werd meegepakt door de landheren. Niet dat zij het veel beter hadden. Ook zij raakten alles kwijt aan de gulzigheid van de Franse bezetter, die hen met torenhoge belastingen het laatste graankorreltje ontnam.

Het is in dit arme Vlaanderen dat ons verhaal begint. Het is hier dat over enkele maanden de dievenbende van Jan de Lichte zal worden opgericht. Zij zullen zich wreken tegen de Franse onderdrukkers. Zij zullen er staan voor het gewone volk, dat al jaren geen deftige boterham meer te eten heeft gekregen.

Maar laat ons niet op de feiten vooruitlopen. Zover zijn we nog niet. In de verte zien we een lange man afkomen. Zijn bontjas zit dicht tegen hem aangedrukt en op zijn hoofd draagt hij een hoed van waaronder zijn lange blonde haren zich een weg banen langs zijn bleke gelaat. Met een hand voor zijn gezicht beschermt hij zich tegen de ijskoude wind. Zijn andere hand omklemt een mes dat met een riem aan zijn bovenlichaam wordt gedragen.

Man in winters landschap

Zou dit Jan de Lichte zijn? De redder van Vlaanderen waar wij zoveel mooie woorden over zullen vertellen. Het hoofd van de dievenbende die wij elf dagen zullen volgen.

Naast hem doemen twee sombere figuren op. De ene is lang en smal. De andere heeft een normale lichaamsbouw, maar een hoofd waarop de domheid van af te lezen valt. Beide hebben ze gescheurde kledij met hier en daar een bloedvlek op. Het kan toch niet dat Jan de Lichte zich met dit soort ongure figuren ophoudt?

De smalle rent plots naar voren, tot bij de man die we tot nu voor Jan de Lichte aanhielden. “Gaat het Tincke? Is het niet te koud? Moet je mijn hoed hebben om je gezicht te beschermen?”

Het is met die woorden dat ik besef dat we het zwaar fout hadden. De lange man waar we mee te maken hebben, is niet Jan de Lichte. Het is Tincke, een boerenjongen van hier in de buurt. Althans, boerenjongen. Op zijn twaalfde reeds verliet hij de boerderij van zijn ouders om te gaan stelen in de dorpen rond Aelst. De meeste dorpelingen kennen hem echter omdat hij zo vaak gepakt wordt en zijn diefstallen meestal mislukken. Nee, dit is zeker Jan de Lichte niet.

Naast hem staat Jef le Houcke met zijn hoed in zijn hand. Jef is één van Tincke's metgezellen, al zal hij je zelf vooral vertellen dat hij volledig zijn eigen pad gaat en een onafhankelijke dief is. In werkelijkheid loopt en staat hij waar Tincke gaat. Als een trouwe hond volgt hij hem overal en hoopt hij af en toe wat kleine delen van een toevallige buit mee te krijgen.

“Rot op met die hoed van je!” roept Tincke tegen le Houcke. ““Wat denk je wel dat ik ben? Een zwakkeling?” “Nee, tuurlijk niet, Tincke,” stottert Jef terug, “jij bent de sterkste dief van heel Aelst. Sorry, ik wilde je maar helpen.” Hij zet zijn hoed weer op zijn eigen hoofd en vervolgt hun pad met een zure, bijna teleurgestelde, blik.

De man achter hen moet er om lachen. Het is Pier Putte, een goede vriend van Tincke. Het is een sterke kerel die de bovenhand heeft in menig gevecht. Maar laat hem niet je plannen maken. Nee, wat hij in spieren heeft gekregen, hebben ze hem in hersenen weer afgenomen.

Pier Putte gaat iets sneller stappen zodat hij naast Tincke uitkomt. Na een tijdje in stilte naast elkaar te hebben gelopen, vraagt Pier Putte: “Zeg Tincke, naar waar waren we nu ook alweer op weg?” “Naar Aelst,” antwoordt Tincke, “daar bevindt zich een rijke kroeg waar we wel wat goud en eten kunnen stelen.” “Maar Tincke,” vervolgt Pier, “is het nog ver? Ik heb honger en mijne teen doet zeer.” Tincke kijkt hem boos aan, maar bedenkt zich dan dat Pier Putte eigenlijk sterker is dan hem. Hij laat het er dan ook maar bij en antwoordt dat ze er bijna zijn.

Stadswacht aan de poort van Aelst

Het drietal stapt nog even verder en inderdaad, daar verschijnt reeds de stadspoort van Aelst. De poort is echter versperd en voor de versperring staat een stadswacht hen op te wachten. Het is al laat en de poorten van de stad sluiten op bevel van de Fransen om tien uur. De avondklok was reeds ingegaan en ze hadden niet de juiste papieren bij om nog op straat te zijn. Een boete van 250 brons, zo wist Tincke.

Maar Tincke maakte zich geen zorgen om een simpele stadswacht. “Ik zal die wel even omkopen met mooie praatjes,” dacht hij. Toen hij de stadswacht met een viertal half rotte appels probeerde om te kopen, moest die er niets van weten. De stadswacht vroeg hun papieren op. Die hadden ze niet. Pier Putte kreeg er schoon genoeg van en sloeg de stadswacht daarop in één slag bewusteloos.

Het is zo dat het drietal zich nu voor het deftigste café van Aelst bevindt. Zonder veel planning of overleg, halen ze een muts uit hun knapzak en trekken die over hun hoofd. Onherkenbaar lopen ze als drie bruten het café binnen.

De rijkste kroeg van Aelst

Binnen in het café zitten twee mannen, die verschrikt recht springen. Het zijn notaris Woese en Baron de Creyl. De Baron was er juist tegen de notaris aan het klagen hoe Baru, het hoofd van de Franse politie, bij hem binnen was gevallen om allerlei taksen te eisen. “Iedere week komt hij wel met een andere nieuwe taks,” zei hij tegen de notaris. “Door hem wordt ik nog eens armer dan de boeren op mijn eigen land!”

Met zijn wapen in de aanslag, horen we Tincke roepen naar de Baron en de notaris: “Geef me je geld, alles! Leg het nu op tafel!” De Baron moet er eens om lachen. “Daarvoor moet je bij Baru zijn,” lacht hij, “ik heb niets meer over na zijn belastingen.” Daarop trekt de notaris zijn wapen. Hij is niet van plan zich zomaar gewonnen te geven. Er breekt een gevecht uit en hoewel het degen van de notaris langer is, haalt hij het niet tegen het drietal Tincke, Jef en Pier. “Nu, al je geld op tafel!” Roept Tincke hem toe. Maar nog voor de notaris in staat is zijn portefeuille te nemen, loopt er plotsklap iemand de kamer binnen.

Gevecht in de kroeg

Het is de waard, die vanuit zijn privévertrekken in de opkamer alles had gehoord. In zijn hand heeft hij een pistool, waarmee hij recht naar het gezicht van Tincke richt. “Wie ben jij,” roept de waard, “zeg niet dat je die Jan de Lichte bent, die ook bij de buren heeft ingebroken!” “Jan de Lichte?!” antwoordt Tincke ontstemt. “Hoe durf je mij met hem te vergelijken?! Naar het schijnt deelt hij wat hij steelt van de rijken uit aan de armen en de zwakken. Nee, ik ben een echte dief! En een tien keer betere dan hem!”

De waard lacht: “Is dat zo? Ik heb niet gehoord dat Jan de Lichte ooit gepakt is met één van zijn daden. Jij loopt hier echter meteen tegen de lamp. Kom, maak dat je weg bent, vuile dief!” Tincke, Jef en Pier rennen naar buiten. Buiten aangekomen, kan Tincke Jan de Lichte wel vervloeken. “Altijd moet die stokken in de wielen steken en doen alsof hij een betere dief is,” klaagt hij tegen Jef, “maar ooit zal ik hem een lesje leren. Ooit zal ik bewijzen dat ik een betere dief ben dan Jan de Lichte!”

Maar ooit, beste lezer, is niet vandaag. Voor vandaag heeft Tincke het onderspit moeten delven en is hij zonder goud of voedsel moeten afdruipen.

Maar genoeg over die Tincke. Die oneerlijke dief kan mij gestolen worden. Laat ons het liever hebben over de bende van Jan de Lichte die stilaan gevormd wordt in de landen rond Aelst. Laat ons op zoek gaan naar dit mysterieuze figuur dat iedereen kent bij naam, maar die niemand nog heeft gezien. Laat ons op 5 augustus met hem afspreken aan de Oudestraat in Hoboken.




Partners:
district Hoboken Umicore jeugdhuis Joh chiro Hobken Klinker de Banier
Chiro Hoboken Sentroem | Oudestraat 81, 2660 Hoboken | info@sentroem.be | BE17 7895 5438 4421 | privacyverklaring